LEERLINGENZORG

Kinderen komen naar school om zich te ontwikkelen op verschillende gebieden. Ieder kind heeft daarbij andere onderwijsbehoeften. Het ene kind heeft meer moeite om de leerstof tot zich te nemen, het andere kind gaat het gemakkelijker af en kan meer leerstof aan. De leerkracht probeert binnen de groep zoveel mogelijk aan te sluiten bij de onderwijsbehoeften van de verschillende leerlingen. Dit noemen we handelingsgericht werken (HGW). Op deze pagina kunt u lezen welke middelen wij gebruiken om ervoor te zorgen dat onze leerlingen een passend onderwijsaanbod krijgen.

Leerlingvolgsysteem

De leerlingen worden gevolgd in hun ontwikkeling. In de groepen 1 en 2 gebruiken we “Kijk” als instrument om het jonge kind te observeren op alle ontwikkelingsgebieden. Vanaf schooljaar 2019-2020 worden er geen Cito-toetsen meer afgenomen bij de kleuters. Dit kan mogelijk nog wel voor een individuele leerling, wanneer de gegevens uit deze Cito-toetsen een meerwaarde kunnen bieden voor het beter afstemmen en tijdig inspelen op de onderwijsbehoeften. 

 

Vanaf groep 3 tot en met groep 8 worden de leerlingen gevolgd middels observaties van de leerkracht, toetsen vanuit de methode en Cito-toetsen. 

 

De volgende Cito-toetsen worden afgenomen:

  • Cito Rekenen-Wiskunde 3.0 (groep 3 t/m 8)
  • Cito Spelling 3.0 (groep 3 t/m 8)
  • Cito Technisch lezen (AVI) (groep 3 t/m 8)
  • Cito Technisch lezen (DMT – woordlezen) (groep 3-4(5))
  • Cito Begrijpend lezen (groep 5 t/m 8)


Het Kompas vindt het zeer belangrijk dat een leerling met plezier naar school gaat en daardoor optimaal tot ontwikkeling kan komen. Daarom worden niet alleen de leerresultaten van de leerlingen gevolgd, maar ook de sociaal-emotionele ontwikkeling. Dit door middel van het leerlingvolgsysteem “Zien”. 

 

Handelingsgericht werken (HGW)

Handelingsgericht werken heeft als doel de kwaliteit van het onderwijs te optimaliseren en de begeleiding af te stemmen op alle leerlingen. Elke leerkracht verzamelt gegevens van iedere individuele leerling uit zijn of haar klas in een groepsoverzicht. Hierin benoemt de leerkracht ook de onderwijsbehoeften van deze leerlingen. Op basis hiervan stelt de leerkracht een groepsplan op. Drie keer per jaar bespreken de groepsleerkracht en de intern begeleider (IB) het groepsoverzicht. De toetsgegevens en informatie van de leerkracht vormen aanleiding voor het opstellen van groepsplannen die in de klas worden uitgevoerd. 

 

HGW kent de volgende vier fases:

  1. Waarnemen (wat ziet / signaleert de leerkracht in de klas?)
  2. Begrijpen (welke onderwijsbehoeften heeft de klas en/of leerling?)
  3. Plannen (hoe krijgt dit de komende periode vorm? wat is het plan?)
  4. Realiseren (uitvoeren van het plan)

 

Dit is een cyclisch proces en komt dus meerdere malen per jaar terug. Deze vier fases komen ook terug in de zorgniveaus. Hieronder benoemen we de verschillende zorgniveaus, die aangeven op welke manier en in welke fases er zorg wordt verleend aan leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte. Dit kunnen onderwijsbehoeften zijn op het gebied van leren (moeizame leerontwikkeling of juist een ontwikkelingsvoorsprong) en/of gedrag.

Stap 1: Zorg op groepsniveau

De leerkracht signaleert dat het kind een specifieke onderwijsbehoefte heeft op basis van observatie, methodegebonden of methode – onafhankelijke toetsing, of de leerkracht krijgt van ouders een signaal. De leerkracht gaat eerst proberen zelf te voldoen aan deze specifieke onderwijsbehoefte. Binnen het aanbod in de klas en lessen wordt gedifferentieerd gewerkt met betrekking tot instructiebehoefte (verlengde-, basis- , en verkorte instructie) en verwerking op niveau (minimum, basis en plus). Deze wordt afgestemd op de onderwijsbehoeften van de leerlingen.

 

Stap 2: Zorg op schoolniveau

Wanneer het de leerkracht niet lukt om binnen de groep zelf te voldoen aan de specifieke onderwijsbehoefte van een leerling, meldt de leerkracht de leerling aan bij de IB-er om dit te bespreken. Bij deze bespreking is in ieder geval aanwezig: de eigen groepsleerkracht van de leerling, de IB-er en vaak ook de RT-er. Vervolgens wordt er actie ondernomen. Er worden doelen gesteld in een (groeps)handelingsplan en er wordt een periode aan deze doelen gewerkt.

A. Hulp in de klas (binnen de groep)
De leerling wordt door de leerkracht extra geholpen in de klas. Dat betekent dat de leerling extra hulp krijgt, in een groepje of alleen. Het kan ook betekenen dat er door de groepsleerkracht gewerkt wordt met ander materiaal uit de orthotheek van de zorg. Na een aantal weken wordt gekeken of gestelde doelen zijn gehaald. Zo niet, dan wordt er bekeken wat mogelijk wel passend zou kunnen zijn voor de leerling.

  1. Hulp buiten de klas
    Soms lukt het niet om de leerling in de klas te helpen, dan wordt er hulp geboden buiten de klas door de remedial teacher of onderwijsassistent.
    Acties bij zowel A als B:
    – Overleg tussen betrokken personen 

– De leerkracht stelt (indien nodig) samen met RT een handelingsplan op

– Afspraak voor evaluatie na ongeveer 9 weken
– Informatie naar de ouders over de aanpak


Voor de leerlingen die onvoldoende uitdaging vinden binnen het basis- en plusaanbod in de groep kan worden overgegaan tot het compacten en/of versneld doorlopen van de leerstof. Hierdoor ontstaat er tijd voor het aanbieden van zogenaamde verdiepings- en verrijkingsstof (Compacten en verrijken).

 

Stap 3: Vervolg op schoolniveau
Na acht weken worden de afspraken en de uitvoering geëvalueerd door
groepsleerkracht, RT en IB. Er worden keuzes gemaakt voor het vervolg afhankelijk van of het doel behaald is en de redenen hiervoor of oorzaak hiervan. 

 

Voor leerlingen bij wie het compacten en verrijken niet voldoende is om tegemoet te komen aan hun behoefte aan extra uitdaging, wordt er in deze stap gekeken naar aanvullende mogelijkheden. Een van de mogelijkheden kan zijn deelname aan een plusprogramma/plusklas. Hierover verderop meer. 

 

OVERIGE ZORG OP SCHOOLNIVEAU

 

Ontwikkelingsvoorsprong en meer- en (hoog)begaafdheid

Naast de zorg voor kinderen die moeite hebben met de leerstof of op een ander gebied minder goed mee kunnen, zijn er ook kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong. Ook deze kinderen hebben extra aandacht en begeleiding nodig. Binnen onze school en op stichtingsniveau Onze Wijs vormt dit onderwerp een vast onderdeel van het aanbod en is het in ontwikkeling. 

Om de kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong en mogelijke begaafdheid tijdig te signaleren werken we met een signaleringsinstrument: SiDi 3. 

Vanuit de signalering met behulp van dit instrument en de observaties van de leerkracht worden stappen ondernomen om tegemoet te kunnen komen aan de specifieke onderwijsbehoeften van deze kinderen. Mogelijke stappen die hieruit zouden kunnen komen zijn:

 

 

Doortoetsen

Wanneer een kind uit de signalering naar voren komt en/of zeer hoge toetsresultaten binnen de huidige groep behaalt, kunnen we doortoetsen om het vaardigheidsniveau van de leerling te bepalen. Op het moment dat je weet op welk niveau het kind functioneert, kun je daar de leerstof op aanpassen.

 

Compacten en verrijken

Wanneer het reguliere lesaanbod niet toereikend of zelfs te gemakkelijk is, kan er gekozen worden voor compacten en verrijken. De kinderen hoeven niet meer alle reguliere lesstof te maken en zij hoeven ook niet meer te herhalen.

De tijd die hiermee gewonnen wordt, kan ingezet worden om te werken met verrijkende materialen. Het kind werkt wel binnen hetzelfde vakgebied, maar met uitdagendere opdrachten.

 

Plusklas

Wanneer een kind nog meer uitdaging nodig heeft en dit in de groep niet (voldoende) kan worden geboden, is de plusklas een mogelijkheid. De plusklas is één dagdeel in de week. Hierin komen kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong samen (peergroep) en zij kunnen hier werken aan meer uitdagende opdrachten buiten om het reguliere curriculum. Aan deze opdrachten zal in de loop van de week ook in de eigen groep gewerkt worden. De inhoud hiervan staat in principe niet vast en kan veranderen. Deelname aan en instroom in de plusklas gebeurt op basis van criteria en na goed overleg met school (leerkracht, IB-er, leerkracht plusklas), ouders én kind.

 

Versnellen

Een kind met meer dan een jaar voorsprong op de meeste vakgebieden kan in aanmerking komen voor versnelling. Dit zou kunnen betekenen dat een kind een groep overslaat. Hiervoor zijn wel criteria en dit gaat altijd na goed overleg met school (leerkracht en IB-er), ouders én kind.

 

Stap 4: Zorg op bovenschools niveau

De zorg die onze school zelf kan bieden zoals hierboven beschreven in de eerste drie stappen van zorg, noemen we de basisondersteuning. Deze is vastgelegd in ons Schoolondersteuningsprofiel (SOP). Dit document kan het gesprek tussen school en ouders ondersteunen. Elke situatie is echter uniek en mogelijkheden veranderen, dus is een gesprek over de actuele situatie altijd nodig. Wanneer de zorg op schoolniveau onvoldoende resultaat biedt en de hulpvraag de basisondersteuning overstijgt, gaan we het traject in van zorg op bovenschools niveau. 

 

Hierbij valt te denken aan:

  • HandelingsGerichte Procesdiagnostiek (HGPD) voor handelingsadviezen en onderzoek naar leermogelijkheden en- belemmeringen;  
  • Aanmelding voor onderzoek, diagnostiek en/of begeleiding bij instanties en zorgverleners die intelligentieonderzoek of onderzoek naar kindeigen problematiek uitvoeren (bijvoorbeeld dyslexie, dyscalculie, AD(H)D, autisme);
  • Hulp door onder andere de logopedist, fysiotherapeut of de SMW’er (School Maatschappelijk Werker) die bij de school betrokken zijn. Daarnaast maakt ook de schoolarts deel uit van de externe hulp; 
  • Het Loket van Samenwerkingsverband Kind op 1.

 

Dyslexie

Indien kinderen lees- en/of spellingproblemen ervaren en ondersteuning niet leidt tot gewenste resultaten, kan er gedacht worden aan dyslexie. Dyslexie is een stoornis die gekenmerkt wordt door een hardnekkig probleem met het aanleren en het goed en vlot toepassen van het lezen en/of spellen van woorden (Stichting Dyslexie Nederland).

Het vaststellen van dyslexie kan uitsluitend door middel van extern onderzoek. 

Ouders vragen dit onderzoek aan. Onderzoek naar dyslexie valt vanaf 1 januari 2015 onder de Jeugdwet en wordt door de Gemeente vergoed.

 

Wanneer ouders hun kind willen laten onderzoeken op dyslexie kan dat bij erkende onderzoeksbureaus (ONL (www.rpcz.nl/dyslexie, Educonsult Middelburg (www.educonsult.nl), Praktijk van Waterschoot (www.praktijkvanwaterschoot.nl) of Praktijk PI-Spello (https://www.pi-spello.nl/praktijk-pi-spello.html). School ondersteunt ouders bij deze aanvraag door middel van advies en het aanleveren van het schooldossier. Het gaat hier om kinderen met ernstige, enkelvoudige dyslexie.

Soms speelt er meer dan alleen het vermoeden van dyslexie(bijv. er zijn ook sociaal emotionele problemen, er is uitval bij meerdere vakken etc.). 

Wanneer dit speelt, wordt er meestal breed onderzoek aangevraagd.

Om voor onderzoek in aanmerking te komen moet het leerlingdossier aan een aantal voorwaarden voldoen.

Het Masterplan Dyslexie biedt duidelijke richtlijnen voor het leerlingdossier en heeft daarvoor o.a. een ‘Checklist Leerlingdossier Dyslexie’ waarop in ieder geval het volgende is aangegeven:

  • Er zijn drie recente en achtereenvolgende meetmomenten (CITO) weergegeven
  • Elke interventieperiode omvat ongeveer twaalf (effectieve) weken intensieve begeleiding (minimaal 3 x 20 minuten per week intensieve begeleiding/interventie)
  • … uitgevoerd door een leerkracht en/of leesspecialist
  • Uit de toelichting blijkt dat het om twee perioden gaat van elk minimaal twaalf effectieve weken.

Vervolgens wordt het kind uitgenodigd voor onderzoek door een GZ psycholoog op het onderzoeksbureau naar keuze. Als dyslexie wordt vastgesteld en behandeling wordt gestart, vindt dit meestal op school onder schooltijd plaats. Sommige bureaus werken vanuit hun praktijk. 

Dyscalculie
Kinderen met dyscalculie hebben hardnekkige problemen bij het aanleren en automatiseren van de basisvaardigheden van rekenen en wiskunde. Dyscalculie is een complexe stoornis omdat bij rekenen meer hersengebieden worden gebruikt, waaronder ook het taalcentrum. Daarnaast is bij rekenen ook nog het frontale hersengebied van belang, dat een rol speelt bij planning en probleemoplossing.

Er is geen simpele test die bepaalt of er wel of geen sprake is van dyscalculie. Wanneer rekenproblemen niet overgaan met extra oefening en het kind met andere vakken wel goed presteert, moet er op taakniveau onderzoek worden gedaan. Dit betekent dat er onderzoek wordt gedaan naar de uitvoering van specifieke rekentaken. Een intelligentieonderzoek is niet meteen nodig. Er moet eerst worden gekeken hoe het kind een rekentaak uitvoert en of hij of zij de basisfeiten en procedures wel kent en heeft geautomatiseerd. Ook moet worden nagegaan of het kind voldoende rekenonderwijs heeft gehad en of er bijvoorbeeld geen emotionele problemen zijn. Verder is van belang te kijken naar de gebruikte rekenmethode en is ook het taalniveau van groot belang, want rekenen is veel taliger dan vaak wordt gedacht. Voor een diagnostisch onderzoek naar dyscalculie kunt u terecht bij een gespecialiseerde orthopedagoog of psycholoog. 

Samenwerkingsverband Kind op 1

Er wordt gestreefd naar hoge opbrengsten voor elke leerling: eruit halen wat erin zit. Dit wordt gedaan door: preventieve onderwijsondersteuning zo dicht mogelijk bij huis, arrangeren op basis van onderwijsbehoeften, integraal denken en werken (één kind, één gezin, één plan).

Wanneer het voldoen aan de onderwijsbehoeften van de leerling de mogelijkheden van de school (de basisondersteuning) overstijgt, biedt het Samenwerkingsverband Kind op 1 de mogelijkheid om gezamenlijk te zorgen voor een passend onderwijsarrangement. 

 

School kijkt samen met ouders welke ondersteuning er nodig is en formuleert een plan en eventueel een aanvullende aanvraag voor een passend onderwijsarrangement.

 

Een aanvraag voor een arrangement van het Samenwerkingsverband wordt gedaan wanneer de deskundigheid van school onvoldoende is om te voorzien in de specifieke onderwijsbehoeften van een leerling. Zij kunnen extra ondersteuning bieden door de inzet van een ambulant begeleider met specifieke deskundigheid. De procedure van aanvraag tot start van het arrangement duurt maximaal 8 schoolweken.

Vanaf schooljaar 2019/2020 lopen de aanvragen voor extra ondersteuning in de vorm van de inzet van een onderwijsassistent via het eigen schoolbestuur. Het bestuur krijgt vanuit het samenwerkingsverband een budget gebaseerd op het aantal leerlingen per school en dit wordt verdeeld over de scholen. School bepaalt op basis van hulpvragen zelf hoe de beschikbare gelden en de onderwijsassistentie wordt ingezet.

Toelaatbaarheidsverklaring (TLV)

Wanneer blijkt dat ook de extra ondersteuning niet voldoende is en (tijdelijke of gedeeltelijke) plaatsing op het speciaal basisonderwijs of speciaal onderwijs passend is, dan vraagt school in samenspraak met ouders het loket om een arrangement af te geven in de vorm van een Toelaatbaarheidsverklaring (TLV) voor plaatsing. Binnen het loket moet de TLV-commissie, waar een onafhankelijk orthopedagoog en de plaatsingscoördinator zitting in hebben, beoordelen of en in welke setting plaatsing het meest passend is. Deze beoordeling vindt uiterlijk zes weken na aanvraag plaats. 

Het samenwerkingsverband verstrekt van elk besluit via school een afschrift aan de ouders. Meer informatie over het samenwerkingsverband en de procedures kunt u vinden op: www.swvkindop1.nl